De beperkingen van de parlementaire oppositie

Na een vierde poging is het de federale meerderheid (N-VA, MR, Les Engagés, CD&V en Vooruit) niet gelukt om de programmawet door het Parlement te laten stemmen. Deze wet voorziet onder meer in twee gedeeltelijke loonindexsprongen, evenals een verhoging van de accijnzen op gas, stookolie en brandstoffen.

Om zich hiertegen te verzetten, heeft de PS nieuwe amendementen ingediend en gevraagd dat de Raad van State zich hierover uitspreekt. Dit verzoek werd gesteund door de PVDA, Ecolo-Groen en Vlaams Belang. Samen beschikken deze partijen over meer dan 50 zetels, wat het mogelijk maakt de behandeling van de wet op te schorten en de goedkeuring ervan uit te stellen.

Dit parlementaire verzet kan de stemming over de wet weliswaar vertragen, maar het zal niet mogelijk maken om de maatregelen van de regering definitief tegen te houden. De PS, het Vlaams Belang of de groenen hebben zich altijd voldoende “verantwoordelijk” getoond ten opzichte van de bourgeoisie om de door het patronaat geëiste bezuinigingsmaatregelen niet duurzaam te blokkeren.

Zelfs als deze parlementaire obstructie zou voortduren, zou de federale meerderheid het reglement van het Parlement kunnen wijzigen om de mogelijkheid voor de oppositie te beperken om de stemming voor onbepaalde tijd uit te stellen door de zaak voor te leggen aan de Raad van State.

En deze parlementaire oppositie maakt het niet mogelijk om zich te verzetten tegen de lopende ontslagen, noch tegen bedrijfssluitingen, noch tegen bezuinigingen op de overheidsbegrotingen die leiden tot banenverlies.

Tegenover het offensief van de kapitalisten en de regering lijkt de parlementaire oppositie een vergeefse komedie. . Alleen een strijd die door de werkers zelf wordt geleid en die zich uitbreidt tot buiten de grenzen van een bedrijf of een sector, kan hiertegen weerstand bieden.