Hongarije: een verkiezingsnederlaag voor Orbán

Ondanks zijn greep op alle Staatsinstellingen en de media is Orbán, de sterke man van Hongarije, die al zestien jaar onwrikbaar aan de macht is en het boegbeeld van extreemrechts in Europa, zojuist uit de regering verdreven, nadat hij op 12 april een zware verkiezingsnederlaag had geleden, ondanks de steun van Trump. 

De meeste arbeiders, bedienden, technici en ambachtslieden hebben Orbán afgewezen omdat hij hen in de crisis heeft gestort. In vier jaar tijd zijn de prijzen met 40 % gestegen en is de koopkracht van de volksklassen ingestort. Daarentegen stroomde het geld rijkelijk naar de bedrijfswereld, met schandalige corruptieschandalen waarbij Orbán al zijn naasten rijkelijk beloonde. 

Zolang deze afwijzing beperkt blijft tot de verkiezingen, zal er voor de arbeiderswereld niets fundamenteels veranderen. Orbáns opvolger, Peter Magyar, is een voormalig leider van zijn partij, Fidesz, een man uit de inner circle die even conservatief en anti-immigranten is. Omdat hij zich, in tegenstelling tot Orbán, voorstander van de Europese Unie noemt, wordt hij omschreven als de Hongaarse Macron. Dat wil zeggen dat de arbeiders er niets van te verwachten hebben!

Om hun winsten in deze crisistijd te verdedigen, treedt het grootkapitaal steeds harder en brutaler op. En achter alle oorlogen die worden gevoerd, schuilt de verborgen maar voortdurende strijd van de bourgeoisie tegen de arbeidersklasse. En dat geldt voor alle landen ter wereld. 

Zowel in Hongarije als hier heeft de arbeidersklasse er geen belang bij haar lot in handen te leggen van deze of gene politicus. De Hongaarse arbeidersklasse heeft in het verleden laten zien dat ze in staat is tot opstand en organisatie. 

In 1956 stond ze aan het hoofd van een revolutie tegen het dictatoriale regime dat was opgelegd door de heersende stalinistische macht in de USSR. De arbeiders hadden in de bedrijven arbeidersraden gekozen, niet om het patronaat en het kapitalisme te herstellen, maar om zelf de leiding van de samenleving in handen te nemen. Ze eisten het stakingsrecht, vakbondsvrijheid, erkenning van de raden en de terugtrekking van het Russische leger, de belangrijkste steunpilaar van het regime. Ze wilden een einde aan het politiestaatregime en erkenning van de regering van Imre Nagy, die ze steunden. 

Om dit te bereiken bewapenden ze zich, organiseerden ze arbeidersmilities, bestormden ze politiebureaus en verzetten ze zich tegen de Sovjet-tanks die tegen hen waren ingezet. Zo hielden ze gedurende enkele weken in stand waarvoor ze vochten: een echte democratische arbeidersmacht.

Met dit rijke verleden zijn de Hongaarse werkers niet gedoemd om speelbal te zijn van politici die de een nog corrupter is dan de ander; ook zij kunnen geschiedenis schrijven!