Wie zal de regering morgen verbieden?

Het voorontwerp van wet om zogenaamde “radicale” organisaties te verbieden is door de regering goedgekeurd. De voorstanders ervan, waaronder de MR, beweren dat ze “radicale of gevaarlijke organisaties die onze veiligheid bedreigen, onschadelijk willen maken”. Verschillende bewegingen zouden al in het vizier liggen, met name organisaties die solidariteit betuigen met Palestina of die zich inzetten voor de klimaatstrijd. De straffen zouden kunnen oplopen tot vijf jaar gevangenisstraf.

Maar het gevaar van deze wet schuilt niet alleen in de organisaties waarop zij vandaag gericht is. Het schuilt ook in de organisaties die toekomstige regeringen morgen zouden kunnen besluiten aan te pakken. Want wie bepaalt wat een bedreiging voor “de veiligheid” vormt?

Terwijl de militaire begrotingen explosief stijgen, de wapenproductie in een stroomversnelling komt en de hele samenleving op oorlog afstevent, wie kan dan garanderen dat verzet tegen herbewapening of het uitzenden van troepen morgen niet als een aantasting van de nationale veiligheid zal worden beschouwd?

Achter de strijd tegen ‘radicale’ organisaties rust de regering zich in werkelijkheid uit met een extra instrument om degenen die de wreedheid van het kapitalisme aan de kaak stellen, de mond te snoeren.