Ik werkte al zo’n 15 jaar in het distributiecentrum van H&M, te beginnen met een jaar als uitzendkracht. Mijn afdeling heette ‘picking’; ik maakte de bestellingen klaar voor de verschillende winkels.
Ons werktempo lag erg hoog: we moesten minstens 250 stuks per uur verzamelen in een enorm magazijn. We wisten ’s ochtends nooit wat onze taken zouden zijn; die kwamen in de loop van de dag binnen via een terminal, waar een bediende ons doorgeeft wat we moesten verzamelen.
Onder elkaar spraken we over de « heel mooie bestellingen »; dat waren de bestellingen met veel artikelen in hetzelfde deel van het magazijn. Die kwamen natuurlijk niet vaak voor. Over het algemeen liepen we tussen de 12.000 en 15.000 stappen per dag met karren die tot 80 kg konden dragen.
Dit werk was erg zwaar. Veel collega’s hadden gezondheidsproblemen: carpaal tunnelsyndroom, rugpijn, en ga zo maar door. Er werd van ons verwacht dat we elke dag 99% van de bestellingen zouden halen. Als dat niet lukte, kwam er een leidinggevende naar ons toe om druk op ons uit te oefenen. Hij maakte ons duidelijk dat we ons moesten herpakken en dat we persoonlijke problemen niet mee mochten nemen naar het werk.
Gelukkig heerste er een gezellige sfeer in de ploeg, ook al hadden we allemaal onze eigen groepjes. Toen ik begon, waren we met zo’n honderd mensen en vlak voor de sluiting waren dat er 450. In de ploeg waren er de « oorlogsmachines’: die leefden alleen voor H&M en bepaalden het tempo. Ze werkten zo snel dat het voor ons bijna onmogelijk was om ze bij te houden, maar de leiding dwong ons daartoe.
We hebben toch geprobeerd het tempo te reguleren door vergaderingen met de vakbond te organiseren. We wilden de dozen verplaatsen die het dichtst bij de grond stonden, omdat we daar rugklachten van kregen. Toen dat eenmaal was geregeld, heeft de directie ze beetje bij beetje weer teruggezet, totdat het weer net zo was als voorheen.
Het magazijn is dit jaar gesloten. We kregen het nieuws tijdens de lunchpauze te horen: er kwamen twee grote auto’s aan, dat beloofde niet veel goeds. Een leidinggevende van het bedrijf kwam langs en vertelde ons dat de fabriek zou sluiten, dat we onder de ‘Renault-wet’ vielen en dat we tot september zouden moeten doorwerken.
De directie zei ons dat onze Belgische lonen te hoog waren in verhouding tot de prijzen van de kleding. Ze hadden het over het verplaatsen van het magazijn naar Spanje, waar de lonen lager zijn. Dat waren duidelijk leugens, want we wisten dat het bedrijf op onze rug enorme winsten maakte.
Het spreekt voor zich dat niemand nog de moed had om door te werken en dat iedereen die middag naar huis ging. Toch kwam iedereen de volgende dag weer terug alsof er niets was gebeurd. Een directeur, gespecialiseerd in het sluiten van bedrijven, hield ons voor dat als we goed zouden werken, we de directie zouden kunnen overtuigen om ons te behouden. De vakbond geloofde deze beloften, maar het was slechts een truc om ons zo snel mogelijk het bedrijf te laten sluiten. Toen we dat doorhadden, organiseerde de vakbond een « slakkenactie » en liet het werk vervolgens in halve dagen verlopen om druk uit te oefenen op de directie.
Een paar weken later begon de staking omdat de directie de uitverkoop eerder dan gepland wilde organiseren, wat voor ons meer werk betekende. Op maandag sloot de vakbond de hekken, zonder ons om onze mening te vragen. Toch waren we blij dat we staakten, want we wilden ons verzetten tegen wat ons overkwam. We hoopten echt onze banen te behouden. We hebben dus een week gestaakt, maar op vrijdag hadden de vakbonden een vergadering met de directie en verklaarden ze dat het werk de volgende maandag weer zou worden hervat.
Samen met een aantal collega’s hadden we het gevoel dat de vakbond in onze plaats staakte. Wij wilden doorgaan en met een paar anderen wilden we de winkels waar we aan leverden blokkeren. Een vakbondsafgevaardigde kwam druk op ons uitoefenen door te zeggen dat we de sluitingspremie zouden kunnen mislopen. Ze dreigden ons ook dat we de bovenwettelijke premie niet zouden krijgen als we de doelstellingen van het bedrijf niet zouden halen. De vakbonden hebben ons daarom aangeraden het werk weer volledig op te pakken.
Ik behoor tot de eerste groep ontslagen werkers, samen met ongeveer 130 collega’s. Vandaag zijn er nog zo’n honderd mensen over, maar de sfeer is sterk verslechterd. Ik ben me terdege bewust van de winsten die we voor H&M hebben binnengehaald. We hebben het bedrijf verlaten zonder te vechten. Velen zijn dankbaar dat ze een ontslagvergoeding hebben gekregen, maar naar mijn mening hadden we, gezien ons werk en onze aangetaste gezondheid, met veel meer moeten vertrekken.
Ik zie nog steeds een paar collega’s, waarvan sommigen in de omschakelingscel zitten. We zijn van mening dat het geld dat we niet hebben gekregen in de zakken van de bazen is verdwenen. Sommigen zeggen nu dat H&M zonder de arbeiders niets zou hebben. Ik denk dat we, zelfs zonder strijd, trots kunnen zijn dat we ons werk hebben gedaan en met opgeheven hoofd zijn vertrokken.
